4.1.2.3.2 Denkgereedschap

Net zoals achter klinisch handelen een wereld van klinisch redeneren schuilgaat, zijn de de CanMEDS-rollen en de bijbehorende  metacompetenties eerst en vooral het product van methodisch probleemoplossend denken. Sterker nog, ze zijn zelf als denkgereedschap te kwalificeren (Dennett). Voortbouwend op de driewereld-theorie van Popper, brengen Veening et al een differentiatie aan in domeinen waarop dit denkgereedschap van toepassing is: de fysieke wereld, de psychische wereld en de sociaal-culturele wereld. Aangezien de ideeën over deze drie domeinen het hart vormen van het Bio Psycho Sociale model (zie ook Part 3, chapter 1: Scholar) lichten we ze hieronder kort toe.

A. De fysieke wereld; de basis van ons probleemoplossend vermogen is lijfelijk. Damasio benadrukt op basis van neurobiologisch onderzoek dat intelligentie niet op één plek in de hersenen valt te lokaliseren en zich niet beperkt tot de zetel van ons bewustzijn. Een bepaald type denken activeert verschillende delen in het zenuwstelsel. Den Boer (2003: 223) spreekt in dat kader van ‘embodied cognition’; de hersenen zijn in permanente interactie met het  lichaam en omgeving. De hersenen zijn daarbij niet statisch maar plastisch. Stressvolle omstandigheden veranderen de (micro)architectuur van de hersenen nadelig. Polanyi wijst op het grote belang van sensomotorische kennis die letterlijk geïncorporeerd is. Deze kennis is stilzwijgend (tacit), deels ook pre-verbaal en daarom slechts ten dele expliciet te maken: ‘We weten meer dan we kennen’. Dat is ook nodig want die impliciete achtergrondkennis maakt het mogelijk om ons te focussen op complexe problemen die onze aandacht nodig hebben. Sensorische kennis kan overigens wel worden omgezet in symbolische en theoretische kennis (Jorna), maar een ervaren professional vertrouwt doorgaans stilzwijgend op zijn lijfelijke gedragsrepertoire bij het oplossen van problemen. Daarom is het opdoen van klinische ervaring, vlieguren maken, zo belangrijk. 

B. De psychologische wereld; voor het expliciet maken van lijfelijke kennis zijn symbolen en begrippen nodig, zoals afbeeldingen en taal. Met behulp van communicatie delen we onze kennis en ervaringen en al doende ontwikkelen we een soort common sense of common practice. Binnen de communicatie spelen emoties, als mengvorm van enerzijds lijfelijke ervaringen en mentale representaties anderzijds, een belangrijke rol. Vooral intense emoties, zoals woede, walging of afgrijzen, kunnen het (klinisch) redeneren in negatieve zin verstoren omdat dat soort emoties gepaard gaan met irrelevante of irrationele gedachten. Een van de kenmerken van professionaliteit is dan ook om ondanks onvermijdelijke optredende emoties het eigen gedrag te reguleren. Dit in goede banen leiden van het eigen gedrag, men spreekt wel van zelfsturing,  is  gebaseerd op inzicht in de eigen persoonlijke en professionele waarden. Door deze waarden in verband te brengen met de eisen die de context stelt, kunnen zelfs fundamentele tegenstellingen worden overbrugd. Men spreekt dan van (klinisch) leiderschap. Enkele voorbeelden van de dilemma’s waarin leiderschap essentieel is, zijn bij het afwegen van:  

Professionele autonomie versus onderlinge afhankelijkheid

Individuele belangen versus groepsbelangen

Loyaliteit aan de patiënt versus aan de organisatie

Identificatie met de eigen beroepsgroep versus met de organisatie

Vakinhoudelijke versus financiële belangen

Werkbelangen versus privébelangen. 

Om tegengestelde belangen toch tegen elkaar af te kunnen wegen, moet men de bijbehorende tegengestelde posities kunnen innemen. Dit vermogen om zich in verschillende posities in te leven, wordt ook wel empathie genoemd. Empathie vormt dan ook een van de meest basale voorwaarden voor leiderschap en professionaliteit.

C. De sociale of gemeenschappelijke wereld (van de ideeën en theorieën)

Effectief handelen is tevens afhankelijk van de sociale en culturele omgeving waarbinnen men opereert. Een professional kan in de ene context disfunctioneren, maar met dezelfde bekwaamheden in een andere situatie effectief handelen. Gedrag is situationeel bepaald en context gebonden. Iedere beroepsgroep kent bepaalde ‘eigen-aardigheden’, zoals kleding, taalgebruik (vakjargon) etc. waaraan men elkaar kan herkennen. Behalve herkenning bieden rituelen en symbolen houvast aan de beroepsbeoefenaars. Hoewel rituelen en symbolen een vorm van steun kunnen zijn, kunnen ze ook tot rigiditeit en irrationeel gedrag leiden.  

Samenvattend kunnen we stellen dat competenties een soort Rubik-cubes zijn; de kern is een ondeelbare eenheid waarvan de buitenkant zich steeds integraal in biologische,  psychologische en de sociaal-culturele vorm manifesteert. Zie Figuur 2 ter illustratie.

 

                                                 

      Inside                                          Outside

Figure 2

 

Deze benadering van competenties als denkgereedschap bij het vormgeven van ontwikkeling en opleiding van HC-professionals sluit naadloos aan bij het BioPsychoSociale-model dat de kern vormt van de psychosomatische benadering van ziekte en gezondheid.

 

Verder met.